C

Cappers HHSG-13 2003 Plantenresten uit een beerput van het voormalige norbertijnenklooster St. Gerlach, Zuid-Limburg 277-287
Corsten HHSG-2 1992 Valkenburg und das Diplom Heinrich III. vom 15. Februar 1041 65-82
Tijdens het symposium dat Zaterdag 26 oktober 1991 te Valkenburg aan de Geul werd gehouden ter afsluiting van de viering van het 950-jarig bestaan van Epen, Herve, Vaals en Valkenburg, hield de auteur een voordracht over de schenkingsakte van 15 februari 1041 door Koning Hendrik III aan zijn nicht Irmgard. De tekst is voor deze publicatie enigszins bijgesteld.
Crutzen HHSG-1 1991 Portret van een plattelandsnotaris Johannes Mathias Kemmerling (1754-1821) 77-143
Het laatste kwart van de 18e eeuw en het begin van de 19e eeuw zijn uitermate boeiend. Hert is de tijd van de Franse Revolutie en haar gevolgen. Oude waarden en normen, eeuwenoude bestuursvormen en gebruiken moesten wijken voor nieuwe ideeën en een nieuwe inrichting van heel de samenleving. Letterlijk en figuurlijk werd alles omvergeworpen. Men begon zelfs met een nieuwe jaartelling. Op een verrassende manier krijgen we inzicht in deze overgangstijd in onze eigen omgeving. Op een boeiende wijze geeft de auteur aan de hand van de persoon van Johannes Mathias Kemmerling (1754 – 1821) wee hoe een notaris te Gulpen leefde en werkte tijdens het Ancien Regiem. Enerzijds proeft men die sfeer van weleer in de behandeling van zijn ambten en functies die te Gulpen, Margraten, Valkenburg en Heerlen uitoefende; de visie op joden; het spanningsveld tussen de officiële gereformeerde kerk en een bijna geheel katholieke gemeenschap, en anderzijds ervaart men hoe geheel anders de tijd was na 1795 onder het Frans Bewind en het Koninkrijk der Nederlanden en hoe men langzaam maar zeker begon aan de opbouw van een nieuwe maatschappij, waarin ook de burger Kemmerling probeerde een nieuw bestaan op te bouwen voor zichzelf en anderen, met alle moeilijkheden van dien. Natuurlijk wordt niet voorbij gegaan aan het persoonlijk leven van Kemmerling als zoon, vader, echtgenoot en gelovige mens en aan dat van zijn beide echtgenoten en kinderen, terwijl ook aandacht wordt geschonken aan zijn huisinrichting en kleding en de lotgevallen van zijn erfenis.
Crutzen HHSG-2 1992 Geloven op straat. Openbare godsdienstoefeningen buiten de gebouwen en besloten plaatsen in de dekenaten Gulpen en Meerssen, 1848-1857 116-162
De grondwet van 1848 bepaalde dat openbare godsdienstoefeningen buiten gebouwen en besloten plaatsen alleen geoorloofd waren, waar zij op dat moment naar de wetten en reglementen waren toegelaten. De wet op de kerkgenootschappen van 1853 verbood het dragen van kerkelijke gewaden dáár waar de openbare godsdienstoefening niet was toegestaan. Over de interpretatie van een en ander ontstonden in 1856/1857 problemen. Er werd een enquête gehouden in de dekenaten van het bisdom Roermond naar de praktijk in de parochies.
Crutzen HHSG-3 1993 De onderwijsvernieuwing in een aantal zuidlimburgse gemeenten tussen 1815-1822 75-148
Toen onze streken in 1815 werden opgenomen in het Koninkrijk der Nederlanden, bleek het onderwijs erg verwaarloosd te zijn. De vernieuwing daarvan werd dan ook al gauw aangepakt. In het artikel worden de inspanningen van de burgerlijke overheid op landelijk en provinciaal niveau, alsook de pogingen van de Tijdelijke Jury voor het middelbaar en lager onderwijs en de gemeentebesturen op lokaal niveau nagegaan. Tevens worst de rol van verschillende priesters in deze zaak belicht. Het onderzoek strekte zich uit over de periode van 1815 tot 1822 en omvatte de toenmalige gemeenten Vaals, Slenaken, Wittem, Gulpen, Margraten, Mheer, Noorbeek, Wijlre, Strucht, Schin op Geul, Oud-Valkenburg. Valkenburg, Berg en Terblijt, Houthem, Meerssen en Geulle.
Crutzen HHSG-4 1994 De schutterij van Gulpen. 73-112
In 1994 viert de schutterij van Gulpen haar 400 jarig bestaan. Het artikel schenkt met name aandacht aan de lotgevallen van de schutterij in de achttiende en negentiende eeuw. Natuurlijk bevat het artikel de enige ledenlijst die bewaard is gebleven, alsmede een lijst van de koningen en keizers en een overzicht van het schutterszilver.
Crutzen HHSG-4 1994 Onderwijs op het platteland tussen 1815-1822 (vervolg). 146-179
Het artikel gaat in op de feitelijke toestand van het onderwijs op het platteland in en rond het Geul- en Gulpdal. Het behandelt tevens de pogingen om dat onderwijs te verbeteren. Voor de kleinere gemeenten was het bijna onmogelijk om aan de eisen van hogerhand te voldoen.
Crutzen HHSG-5 1995 De kerk van Wijlre 1835-1995. Een bewogen geschiedenis. 98-248
Wijlre kreeg tussen 1835 en 1840 een nieuwe kerk. In 1921 werd het gebouw vergroot, maar spoedig bleken muren en gewelven scheuren te vertonen. In 1993-1995 volgde uiteindelijk en algehele restauratie, renovatie en herinrichting van de kerk. In het artikel worst niet alleen ingegaan op de bouwgeschiedenis gedurende 160 jaar, maar worden ook de achtergronden ervan belicht. Waarom week men b.v. in 1835 af van de oorspronkelijke bouwplannen, ging de verbouwing in 1921 niet door en bleef langere tijd een grondige restauratie uit? Daarnaast is er aandacht voor de parochiepriesters en kerkbestuurders, de liturgie in de vorige eeuw, de inrichting van de kerk en de financiële perikelen.
Crutzen HHSG-6 1996 Laurens Smeets (1781-1835) Stichter van de Gulpener Bierbrouwerij. 140-184
De grootvader van Laurens Smeets woonde in de banmolen te Valkenburg. Zijn vader was de pachter van de Gravenhof te Ambij, de onderhof van kasteel Neuburg te Gulpen en van een boerderij te Vilt. Hijzelf werd in Ambij geboren en vestigde zich in 1806 als herbergier te Valkenburg. Daar begon hij in 1816 een brouwerij en in 1826 een tweede te Gulpen. In zijn woonplaats bekleedde hij tot zijn dood functie binnen het gemeente-, kerk- en armbestuur. Laurens Smeets: een fascinerend stuk familiegeschiedenis over molenaars, boeren en brouwers in een turbulente tijd van onze Limburgse geschiedenis.
Crutzen HHSG-7 1997 De joodse gemeenschap Gulpen-Vaals 1783-1827. Haar begin, haar plaats, haar omgeving. 212-216
De Joden van Vaals beschikten in 1780 al over een huissy­nago­ge. In Gulpen werd in 1783 een synagoge gesticht. Spanningen binnen de geloofsge­meen­schap leidden in 1819 tot een bevel van hogerhand de ‘sjoel’ van Gulpen te sluiten. De Joden van beide plaatsen realiseerden in 1823 in Gulpen een eigen ‘kerk’ en daarmee de eerste in de nieuwe provincie Limburg. Het bete­kende niet dat daarmee alle problemen waren opgelost, integendeel! Een verhaal over verdraagzaamheid, menselijke macht en het tegendeel ervan, geplaatst in de context van plaats en tijd.
Crutzen HHSG-8 1998 De kerk in Epen van Bouwmeester Jean Dumoulin. 101-144
Door het Tractaat van Londen werd Limburg de facto aan Nederland toegevoegd. Vanaf die tijd fungeerde Jean Dumoulin uit Maastricht als provinciaal architect. Hij was betrokken bij de bouw, herbouw en uitbreiding van diverse kerken. In dit artikel worden zijn persoon en werk belicht, in het bijzonder de perikelen rond de bouw van een nieuwe parochiekerk te Epen tussen 1832 en 1842.
Crutzen HHSG-9 1999 Lidmaten van de gereformeerde gemeenten te ‘s-Hertogenrade en Gulpen, 1632-1821. 219-287
De Maasveldtocht van 1632, waarbij Frederik Hendrik onder meer Maastricht veroverde, werd al snel gevolgd door het streven naar verbreiding van de gereformeerde religie in de veroverde gebieden en de opbouw van nieuwe kerkelijke gemeenten. Dit onderzoek geeft een beeld van de poging tot protestantisering van onze regio. De auteur belicht de predikanten van de gereformeerde gemeenten van ‘s-Hertogenrade en Gulpen en heeft alle bewaard gebleven lidmatenlijsten bewerkt en op familienaam geordend. Het betreft ongeveer 450 personen.
Crutzen HHSG-12 2002 Gevecht om een kerk: Oud-Valkenburg versus Sibbe-IJzeren. 53-132
Met name de inwoners van Oud-Valkenburg ijverden rond 1778 voor het herstel van hun kerk. Die was toen gesloten wegens bouwvalligheid. Ruim 80 % van de parochianen woonde echter in het ver daarvandaan en hoog gelegen Sibbe en IJzeren en wilde daar een nieuw godshuis bouwen. Uiteindelijk werd de kerk van Oud-Valkenburg gedeeltelijk afgebroken en provisorisch hersteld. In 1819 was het herstel of de verplaatsing van de kerk weer punt van discussie. Opnieuw raakte de gemeenschap verdeeld over deze kwestie. Oud-Valkenburg kreeg een nieuwe ambtswoning en men breidde de kerk in 1836 en 1850 uit met zijbeuken. Pogingen in 1842 om een eigen kerk en pastorie in Sibbe-IJzeren te bouwen lukten uiteindelijk. Na tal van conflicten met Oud-Valkenburg kreeg Sibbe-IJzeren in 1870 een eigen kerkbestuur en werd het in 1948 een zelfstandige parochie. Dit artikel is behalve een stukje architectuurgeschiedenis ook een verhaal over macht en geld, dorpspolitiek en pastoors.
Crutzen HHSG-13 2003 Vrouwen in een andere wereld. De Redemtoristinnen in Partij-Wittem. 49-226
Een aantal Redemptoristinnen woonde na hun verdrijving uit Wenen in 1848 eerst tijdelijk in Gulpen en vanaf 1851 in Partij. Sindsdien had nauwelijks een sterveling ze ooit gezien. Toen ze in 1922 hun stem gingen uitbrengen voor de Tweede-Kamerverkiezingen liep jong en oud uit om de slotzusters te bekijken. Ze droegen rode habijten met blauwe scapulieren. Hun hoofden waren bedekt door geplooide halsdoeken met een witte hoofdband en een witte en een zwarte sluier. Verder droegen ze witte schoenen en kousen. In deze bijdrage vindt u een overzicht van alle vrouwen die vanaf 1848 tot de brand in het klooster Mariëndaal te Partij in 1877 intraden, inclusief de levensbeschrijvingen die na hun overlijden in de kloosterkroniek zijn opgeschreven en die een fascinerend zicht bieden op het dagelijks leven binnen de slotmuren. Authentiek fotomateriaal verlevendigt de teksten.
Crutzen HHSG-14 2004 Abraham Ouburgs modelschool in Voerendaal, 1820-1830. 105-250
Toen in 1814 het keizerrijk van Napoleon in deze regio werd opgevolgd door het Koninkrijk der Nederlanden, verkeerde het onderwijs in een totaal verwaarloosde staat. Vanaf 1817 zette de Tijdelijke Jury voor het Onderwijs, samen met de provincie Limburg, zich in om het onderwijs te verbeteren. Hun pogingen vonden in Voerendaal gehoor. Stuwende kracht in Voerendaal was schout Johan Cornelis van Panhuys (1766-1849). In 1819 kwam er een school en in 1820 een schoolfonds en een schoolcommissie. Abraham Ouburg werd benoemd tot hoofdonderwijzer. Terwijl de overheid uitermate tevreden was over zijn inzet, dacht de gewone man daar anders over. Het verzet tegen de overheidsmaatregelen van hogerhand ontlaadde zich op gewelddadige wijze tijdens de Belgische Opstand in 1830. De hoofdonderwijzer en zijn gezin werden verjaagd. Ouburg vestigde zich in Heerlen en begon daar in 1832 een bijzondere school. Zijn opvolger in Voerendaal ging voort op de door Ouburg ingeslagen weg. Deze bijdrage geeft inzicht in de nieuwe vorm van onderwijs in het begin van de negentiende eeuw in zuidoostelijk Limburg en de daarmee samenhangende problemen. De publicatie van leerlingenlijsten van Voerendaal maakt het stuk ook interessant voor genealogen. Het artikel is rijkelijk geïllustreerd, ook met afbeeldingen uit de in Voerendaal gebruikte schoolboeken.
Crutzen HHSG-15 2005 De bouw van de Dumoulinkerk In Voerendaal, 1840-1845. 67-104
Aan het einde van de achttiende eeuw was de kerk van Voerendaal al zo vervallen dat men dacht aan herbouw. Dit kwam er niet van. In 1840 stortte een gedeelte van het gewelf van de kerk in. De muren van het godshuis waren behoorlijk uit het lood geweken en het metselwerk was op tal van plaatsen gescheurd. De bouwmeester Jean Dumoulin (1800-1857) uit Maastricht kwam tot de conclusie dat de kerk moest worden afgebroken, met uitzondering van de toren. Hij maakte een paar ontwerpen voor een nieuwe parochiekerk. Het werk werd in maart 1842 aanbesteed en toegewezen aan G.J. Louppen uit Heerlen. De bisschop van Roermond consacreerde kerk en altaren op 26 september 1843. De totale kosten van de bouw bedroegen fl. 19.792,76.
Crutzen HHSG-16 2006 Vrouwen in een andere wereld. De Redemtoristinnen in Partij-Wittem (II). 85-176
Nu er steeds meer kloosters verdwijnen, stijgt de belangstelling voor het wel en wee van die gemeenschappen. Het probleem is echter dat dikwijls hun archieven niet of nauwelijks bewaard zijn gebleven. Dit is echter wel het geval bij het klooster in Partij-Wittem waar vanaf 1852 redemptoristinnen wonen. Zij leiden tot op de dag van vandaag een beschouwend leven. Het klooster beschikt over dagboeken, kronieken en andere bescheiden, die een ongekend goed inzicht geven in het reilen en zeilen van een slotklooster in de sterk veranderende negentiende en twintigste eeuw. In deze bijdrage wordt een overzicht gegeven van alle 52 vrouwen die er zijn ingetreden vanaf de kloosterbrand in 1877 tot aan het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog in 1914. Daarnaast zijn de levensbeschrijvingen van de zusters opgenomen zoals die na hun overlijden in de kloosterkroniek zijn opgenomen. Authentiek fotomateriaal verlevendigt de teksten.
Crutzen HHSG-18 2008 Predicanten in ‘s-Hertogenrade en Gulpen, 1632-1820. -623316
Tussen 1632 en 1820 zijn elf predikanten werkzaam geweest in ‘s-Hertogenrade en Gulpen en de daarmee gecombineerde gereformeerde gemeenten. Het waren Petrus Leupenius (1634-1635), Johannes Breberenus van Dijck (1649-1674), Johannes Mauritius Mommers (1680-1681), Petrus Neckius (1682-1683), Samuel Nethenus (1683-1691), Abraham Nethenus (1692-1709), Stephanus Poitevin (1711-1725), Florens Petrus Brull (1726-1744), Lambertus van Flodorp (1747-1769), Isaac Gerlach Fellinger (1769-1781) en Hendricus Johannes Essers (1782-1820). Hun herkomst, opleiding, beroeping en verdere levensloop vormen het onderwerp van deze bijdrage. De portretten geven een boeiend en verrassend inzicht in de tijd waarin zij leefden. Hun inzet voor de gereformeerde kerk blijkt vaak van meer dan regionaal belang te zijn geweest. Hiermee wordt een sterk onderbelicht aspect behandeld van de geschiedenis van de protestantse geloofsgemeenschappen in ‘s-Hertogenrade en Gulpen, hoofdzakelijk in de jaren dat deze plaatsen deel uitmaakten van de Republiek der Verenigde Nederlanden.
Crutzen HHSG-19 2009 Een kapel en pastorie voor Reijmerstok, 1835-1864. 38-107
In 1835 vroegen Jan Acampo, Nicolas Urlings, Jan Bours, Jacob Sluijsmans, Jacob Huijnen en Dionisius Urlings uit Reijmerstok om op kosten van de inwoners van het gehucht ter plaatse een kapel te mogen bouwen. De toestemming daarvoor kreeg men in 1837. Uiteindelijk werd in 1838 een plan van Lambert Jaminé uit Hasselt uitgevoerd, zij het in vereenvoudigde vorm. Het werk gunde men aan Jean en Renier Prevoo. Begin 1839 werd de kapel in gebruik genomen. Tussen de eerste rector, Jean Balthasar Frijns, en de deken van Gulpen, Alexander Ludovicus Van der Velpen, ontstond een zodanig hoog oplopend conflict over het al dan niet in Reijmerstok mogen begraven van de doden, dat de eerste al gauw een benoeming elders kreeg. De daaropvolgende poging om een zelfstandige parochie te worden, mislukte. In 1856 werd met veel pijn en moeite een pastorie gebouwd. De financiering ervan werd een lijdensweg en eindigde bijna in een rechtszaak. Het probleem was niet alleen dat de inwoners van het gehucht het kerkbestuur van Gulpen in alles hadden gepasseerd, maar ook dat zij de kosten voor de bouw en het onderhoud van kapel, pastorie, priester en koster volledig onderschatten. Ondanks hun enorm grote bijdragen bleek er onvoldoende geld te zijn om alles te kunnen betalen. Door af te wijken van bestekken, om geld te besparen, ontstonden nieuwe problemen. Uiteindelijk werd het kerkbestuur van Gulpen verantwoordelijk gesteld voor de financiële tekorten. Er werd een lening afgesloten bij de deken van Gulpen. In 1871 kreeg de rector van Reijmerstok verlof om in de kapel te dopen en de doden ter plaatse te begraven en pas in 1937 werd het rectoraat verheven tot een zelfstandige parochie. Deze bijdrage behandelt de moeizame totstandkoming van zowel kapel als pastorie. In een drietal bijlagen zijn de bijdragen van plaatselijke inwoners opgenomen. Foto’s illustreren het geheel.
Crutzen HHSG-19 2009 Francisca Willegebaum. De jeugd van een vondeling uit Gulpen. Van 1775-1798. 6-37
Op 4 oktober 1775 trof men nabij het gehucht Euverem een vondelinge aan tussen drie wilgenbomen. Het bestuur van de schepenbank Gulpen ontfermde zich over het meisje. Het kind werd een dag later gedoopt door dominee Fellinger. Zij kreeg een naam en daarmee een eigen identiteit: Francisca Willegebaum. Het meisje werd opgevoed op kosten van de schepenbank, leerde een vak en kreeg een uitzet. In 1791 vertrok zij naar Vaals en daar huwde zij in 1799 met Carl Joseph von Berg. De bewaard gebleven rekeningen van kostgeld, aankoop van kleding en schoeisel en van schoolboeken en de nota’s van de chirurgijn geven een inzicht in een aantal facetten van haar jeugdjaren.
Crutzen HHSG-20 2010 De inwonerslijst van Gulpen uit 1796. 7-70
Op 10 Vendémiaire an IV (2 oktober 1795) nam de Nationale Conventie in Parijs een wet aan over de openbare orde en het toezicht binnen de gemeenten van de Franse Republiek, waar de Zuid-Limburgse regio bij was ingelijfd. Deze wet bepaalde onder andere dat alle burgers die binnen eenzelfde gemeente woonden, wettelijk aansprakelijk gesteld werden voor aanslagen gepleegd op het grondgebied van de gemeente, hetzij tegen personen, hetzij tegen gemeente-eigendommen. Daarom moest in iedere gemeente een overzicht worden samengesteld waarop de namen, leeftijd, de staat of het beroep van ieder inwoner boven de 12 jaren waren vermeld. Tevens moest worden genoteerd waar de betreffende persoon woonde en sinds wanneer. Ook in Gulpen is in 1796 zo’n lijst opgesteld. Deze wordt hier in bewerkte vorm integraal uitgegeven, voorzien van een korte inleiding waarin onder meer de betrouwbaarheid van de toen genoteerde gegevens nader bestudeerd zijn. Het overzicht is niet alleen voor genealogen van belang, maar geeft ook een goed beeld van de bevolking van Gulpen en de diverse daartoe behorende gehuchten, kastelen, molens en boerderijen.
Crutzen HHSG-20 2010 Van Soiron tot Satijn. Tweehonderd jaar parochiekerk Mechelen. 86-243
Mogelijk uit 1808, zeker uit 1809 dateert een ontwerptekening van Mathias Soiron voor een nieuwe parochiekerk te Mechelen. Het ontwerp werd in 1809/1810 gedeeltelijk uitgevoerd tijdens het pastoraat van Jean Pierre Putters (1806-1834). Hij was een van de laatste oud-kanunniken van de abdij Kloosterrade. Delen van de voorafgaande kerk bleven behouden. Tijdens deze ingrijpende verbouwing stortte de dakstoel in. Daarbij kwamen verschillende werklieden om het leven. Onder de parochieherders Johannes Gelissen (1834-1862) en Werner Joseph Hubert Lanckohr (1862-1894) kreeg de kerk vervolgens een nieuwe toren en twee nieuwe zijkapellen. Het duurde jaren voordat alle perikelen waren overwonnen en men ook daadwerkelijk aan de slag kon gaan. De ontwerpen bleken van de hand te zijn van de plaatselijke aannemer, landbouwer, bierbrouwer en brander Jan Hubert Lintzen. Onder pastoor Johann Jacob Rutten (1928-1937) werd de kerk opnieuw verbouwd. De architecten Jos en Paul Cuypers hadden daarbij de leiding. Tijdens het onderzoek zijn geheel onbekende ontwerpen ontdekt. Het was de bedoeling de plannen in twee fasen uit te voeren. De oostelijke uitbreiding van de kerk kwam gereed in 1935. In 1939 werd onder het pastoraat van Leo Janssen (1937-1962) een aanzet gemaakt voor de tweede fase van de kerkuitbreiding. Maar daar bleef het ook bij. Tenslotte vond in 1996 een kleine uitbreiding van de kerk plaats onder pastoor Henricus Petrus Cornelius van der Looy S.S.S. (1993-2000) naar een ontwerp van architectenbureau ir. Satijn bv. In deze bijdrage worden zowel de bouwpastoors als de bouwmeesters en architecten nader belicht. Nieuw materiaal geeft een verrassend, ander zicht op de geschiedenis van de tweehonderd jaar oude parochiekerk van Mechelen.
Crutzen HHSG-21 2011 De wetten van de classis Maastricht, 1659 – 1805. 154-231
De eerste classis Maastricht functioneerde slechts van 1634-1635. Na de Vrede van Munster (1648) werd zij een jaar later heropgericht en functioneerde tot 1805 volgens de in 1659, 1671 en 1728 opgestelde klassikale wetten. De leden van een classis werden gevormd door de predikanten van de gereformeerde gemeenten die onder haar ressorteerden. Beschikten dezen over een kerkeraad, dan mocht ook een ouderling naar de vergaderingen worden afgevaardigd. De publicatie van de klassikale wetten is het doel van deze bijdrage. Na een inleiding over het ontstaan en de heroprichting van de classis Maastricht, de structuur van de gereformeerde kerk in het algemeen, de ambtstoelating daarin en een korte bijdrage over de bronnen van het vroege gereformeerde kerkrecht, volgt een analyse en tenslotte een transcriptie van de drie wetten en de daarin in de loop der tijden aangebrachte aanpassingen. Het artikel bevat onder meer een overzicht van alle sedert 1632 in de classis werkzaam geweest zijnde predikanten te Maastricht en in de daartoe behorende 16 protestantse gemeenten in de Staatse Landen van Overmaas.
Crutzen HHSG-22 2012 Een klerikale zorgovereenkomst, Wijlre 1813. 264-293
Crutzen HHSG-22 2012 Het register van kiesgerechtigde burgers van Wijlre, 1807. 265-294