G

Ed. van Gelder HHSG-4 1994 Valsemunterij in de Sibbergrot. 39-49
Een tiental jaren geleden ontdekten grotonderzoekers met behulp van een metaaldetector een complete valsemunterswerkplaats, die tot 1576 actief is geweest. Omdat nog niet eerder muntersgereedschap en munten tezamen zijn gevonden is dit een unieke vondst. Het artikel besteedt aandacht aan de muntslag en het muntmisdrijf.
Frans M. Gerards HHSG-11 2001 W.H. van Panhuys (1734-1808). De toelating tot de ridderschap van Staats Valkenburg. 169-203
Om lid te kunnen worden van de ridderschap moest men aan verschillende criteria voldoen. De belangrijkste daarvan waren: Bezit van een riddermatig goed en adellijke afkomst. In 1778 probeerde mr, Willem Hendrik van Panhuys, sinds’ 1770 eigenaar van het leengoed Haeren te Voerendaal, toegelaten te worden tot de Valkenburgse ridderschap.
Frans M. Gerards HHSG-15 2005 De regulering van de jacht in het Land van Valkenburg in de 18de eeuw. 105-136
In de 18de eeuw was de uitoefening van de jacht en de visserij in het Land van Valkenburg in meerdere opzichten een probleem. Met name de vraag wie wel en wie niet het recht had om te jagen, maar ook de vraag wie nu eigenlijk de bevoegdheden toekwamen om jachtpermissies uit te delen, was tussen de verschillende bestuurders een voortdurende bron van meningsverschillen. Onduidelijkheid hierover leidde niet alleen tot excessen, maar bracht de jacht ook schade toe. In deze bijdrage wordt een overzicht gegeven van de diverse problemen en de pogingen die werden ondernomen om tot een oplossing te komen. Tot slot wordt stilgestaan bij de voorstellen van de Staten-Generaal om tot een allesomvattende regeling te komen.
A.J. Groenendijk HHSG-8 1998 Midden-paleolithische voedselverzamelaars in en rond het Geuldal. 187-204
Zie J.C.A. Kolen
Drs. Tessa de Groot HHSG-15 2005 Een bijzonder graf uit de Romeinse tijd in Bocholtz (gemeente Simpelveld). 7-30
Eind 2003 heeft de Rijksdienst voor het Oudheidkundig Bodemonderzoek in het Limburgse Bocholtz een bijzonder Romeins graf onderzocht. Het graf bestond uit een met hout beklede grafkamer met daarin een zandstenen askist en een areaal aan bijgiften. Het karakter van het graf en zijn inhoud en de ligging vlak bij de Romeinse villa van Vlengendaal plaatsen de begraven persoon in de wereld van de Romeinse villa-elite. De constructie van het graf en de symboliek van de verschillende bijgiften tonen elementen die typerend zijn voor de Romeinse ideeën omtrent de dood en het leven in het hiernamaals. Op basis van de voorlopige resultaten van het onderzoekwordt het graf tegen het einde van de tweede eeuw gedateerd. Behalve dat de resultaten van de opgraving “traditioneel” zijn uitgewerkt, is de vondst ook aangegrepen om een aantal specialistische onderzoeken uit te voeren. In samenwerking met het Instituut Collectie Nederland en TNO-NITG Utrecht wordt de materiaalsamenstelling van de glazen en bronzen voorwerpen geanalyseerd om inzicht te krijgen in de degradatieprocessen waaraan de voorwerpen in de bodem zijn blootgesteld. Op deze manier levert het graf van Bocholtz belangrijke informatie voor zowel de inhoudelijke kant van de archeologie als ook voor de archeologische monumentenzorg.
Drs. Tessa de Groot HHSG-17 2007 De Romeinse villae in het Limburgse lössgebied. 6-37
In de Romeinse tijd lagen er in het vruchtbare Limburgse lössgebied tientallen agrarische bedrijven, zogeheten villae. Deze trokken al vroeg de aandacht van onderzoekers, met name vanwege de aansprekende uiterlijke (Romeinse) kenmerken, zoals het gebruik van natuursteen en de aanwezigheid van vloerverwarming, zuilengalerijen en muurschilderingen. In dit artikel wordt een ander interessant aspect van de villae belicht, namelijk de vaak markante ligging in het landschap.
Monika Gussone HHSG-7 1997 Die Pfalz Meerssen bis zur Schenkung an St-Remi in Reims. 25-77
In een in de Duitse taal geschreven bijdrage wordt licht geworpen op de vroegste geschiedenis van Meerssen, van de prehistorie tot en met de overdracht in 968 aan de abdij van Sint-Remigius in Reims. Een belangrijk thema binnen deze studie is de vraag of er te Meerssen een gewone villa, een palts of een villa in verbinding met een palts heeft gestaan. De auteur wijst op de bekendheid van Meerssen als koninklijke verblijfplaats en als verdragsplaats (870) Zij beschrijft de politieke verwikkelingen in de 9e en 10e eeuw en de schenking aan de abdij van Sint-Remigius door Gerberga.
Monika Gussone HHSG-8 1998 Die Propstei Meerssen bis zum Ende des 12. Jahrhunderts. 145-186
In dit duitstalige artikel worst het veranderingsproces van het stift te Meerssen in de proosdij Sint-Remigius en een uitbouw daarvan beschreven. De proosdij werd in de twaalfde eeuw door schenkingen en het inlijven van meerdere kerken (o.a. Lithoyen in Brabant) belangrijker. Zowel de Heer van Valkenburg, voogd van Meerssen, als de hertogen van Brabant hadden hun oog laten vallen op de bezittingen. Gussone beschrijft in dit artikel ook de economische ontwikkeling van de proosdij.